Gen F

Join onze community en krijg extra toegang tot artikelen, deel jouw verhaal & ...
© Karel Daems

'Wanneer ik hem bezocht in de gevangenis huilden we samen om mama'

Charissa’s vader heeft haar moeder vermoord

Het ene moment ben je een gelukkig meisje in een doodgewoon gezin, het volgende moment is je moeder gewurgd en zit je vader in de cel. Charissa stond er alleen voor op het moeilijkste moment van haar leven.

'Je zou het niet verwachten, maar ik heb een heel normale jeugd gehad. Ik kom uit een hecht en warm gezin: mijn ouders hielden van elkaar, van mij en mijn broertje. Ik heb me thuis altijd goed gevoeld. Bij ons ging het er even gewoon toe als in andere gezinnen. We gingen elk jaar op vakantie, maakten uitstapjes in het weekend, mijn ouders hielpen me met mijn huiswerk… Zoals in elk ander gezin, eigenlijk.

 

Rond mijn achttiende verjaardag veranderde alles. Mijn moeder raakte haar werk kwijt, zocht en vond een nieuwe job, maar ook dat was niet wat ze wilde. Af en toe was ze werkloos, dan had ze weer even werk. Zo modderde ze een tijdje aan, met veel spanningen thuis en financiële problemen tot gevolg. Mijn ouders begonnen steeds meer ruzie te maken. Dat was nieuw voor mij.

 

Zoals alle koppels hadden mijn ouders wel eens woorden, maar niet zoals toen. Mijn moeder kon heel fel zijn als ze ruziemaakte met mijn vader: ze schold en tierde, maakte hem verwijten. Meer dan eens zag ik hoe mijn vader haar moest vastgrijpen of een duw geven om haar tot bedaren te brengen. Die ruzies gaven me een naar voorgevoel. Vanaf de eerste harde woorden werd ik bang dat het uit de hand zou lopen. Papa sloeg mama nooit, maar ik voelde de dreiging.

 

Tussenbeide komen kwam niet bij me op. Het waren tenslotte mijn ouders. In die periode begonnen mijn ouders vaker uit te gaan, iets wat ze daarvoor nooit hadden gedaan. Mijn moeder dronk ook steeds meer, zeker toen ze eindelijk vast werk vond in een tearoom. Een alcoholiste was ze niet, maar ze had in drank de oplossing gevonden voor haar sombere buien. Drank maakte haar vrolijk en gelukkig. Haar stemmingswisselingen wogen op mijn vader: hij stond er altijd alleen voor, droeg alle verantwoordelijkheid voor ons gezin terwijl zij ging feesten en drinken. Het was duidelijk dat het zo niet kon blijven duren.

 

En het liep inderdaad helemaal verkeerd. Op een dag kreeg ik telefoon van mijn vader. Of ik mijn broertje Senne – hij was toen acht jaar – even thuis kon weghouden. Papa had tijd nodig, wilde even alleen zijn. Hij moest nadenken, zei hij. Iets in zijn stem maakte me bang. Hij klonk verdrietig en ernstiger dan ik van hem gewend was. Ik was bang dat hij zichzelf iets zou aandoen. Dus belde ik mijn moeder en vroeg ik haar of ze niet een beetje eerder kon stoppen met werken en naar huis komen om papa in het oog te houden. Zelf deed ik wat mijn vader had gevraagd en bleef ik weg, maar het nare voorgevoel bleef.

 

Ik speelde een paar uur met Senne in het park. Toen we terug naar huis liepen, zagen we meteen dat er iets was gebeurd. Aan het begin van onze straat stond een brandweerwagen, even verderop een politiecombi. Hoe dichter we ons huis naderden, hoe meer combi’s we zagen en hoe meer ik besefte dat er bij ons thuis iets was gebeurd.

 

Alle buren stonden op straat, voor ons huis. Er is iets met papa, was mijn eerste gedachte. Ik vroeg buren om op mijn broertje te letten, ik wilde hem nog even sparen. Mijn oma kwam naar me toegelopen en zei: ‘Het is mama. Je mama is dood.’ Op dat ogenblik zag ik mijn vader staan, handboeien om, politieagenten rond hem. Hij zag me en riep: ‘Niet boos zijn, Charissa! Het was een ongeluk. Dit wilde ik niet. Het spijt me zo. Niet bang zijn, het komt wel goed.’

Hij was over zijn toeren en bleef maar roepen. Ik riep terug: ‘Wat heb je gedaan!’, ik schold en tierde. De schok, denk ik. Mijn oma, oom en ik werden opgevangen door Slachtofferhulp. Daar hoorden we wat er was gebeurd. Papa had mama gewurgd. Pas toen ze levenloos op de grond was gevallen, had hij beseft waar hij mee bezig was en oma gebeld. Mijn oma belde de hulpdiensten. Maar toen was het al te laat. Mijn moeder heeft nog even in coma gelegen – zonder hoop op herstel, haar hersenen -waren te erg beschadigd. Na twee weken is ze overleden.

 

Dat beeld – mijn vader met zijn handen om mijn moeders nek – krijg ik sinds die dag niet meer afgeschud. Ik wil het niet zien, maar kan het niet helpen. Het is sterker dan mezelf. Maar het is zo onwerkelijk. Ik kon – en kan – me niet voorstellen dat mijn vader mijn moeder iets aandeed. Zo is hij niet. Mijn vader is niet in staat om iemand pijn te doen, net zomin als mijn moeder dat was. Wat moet zij hebben gezegd of gedaan om hem zover te krijgen dat hij haar doodde, vraag ik me af.

 

Ik had genoeg ruzies meegemaakt om te weten dat het er hevig kon toegaan tussen hen, maar dit… Ik kon het niet vatten. Het drong niet tot me door wat er écht was gebeurd. Van die eerste maanden herinner ik me amper iets. Ik leefde als in een roes en probeerde sterk te zijn voor mijn broer en oma. Herinneringen aan die eerste maanden heb ik amper. Het is verbazend hoeveel een mens kan verdringen. Sinds kort ga ik naar een psycholoog. Misschien komt alles op die manier terug. Al weet ik niet of dat wel zo goed is… Het waren zware weken.

 

Ik probeerde sterk te zijn voor mijn broer – hij was gelukkig te jong om echt te kunnen vatten wat er was gebeurd – en mijn oma. Bij haar kon ik niet terecht met mijn verdriet. Ze was haar dochter kwijt en had het even zwaar als ik. Ik stond er zo goed als alleen voor. Gelukkig kreeg ik veel steun van mijn vriend. We waren nauwelijks drie dagen samen toen het gebeurde. Het is een wonder dat onze prille relatie dit heeft overleefd. Ook mijn schoonfamilie was er altijd voor me. Ze hebben me nooit veroordeeld. Van de meeste vrienden en kennissen heb ik nooit meer iets gehoord…”

 

“Ik heb veel verdrongen, maar wat ik me wel herinner, is de razernij. Ik was razend op mijn vader. Hoe had hij zoiets kunnen doen? De kwaadheid overheerste alles, ik weigerde hem te zien. Vanaf zijn eerste dag in de gevangenis schreef hij me. Ik las zijn brieven vol spijt wel, maar de kwaadheid en het onbegrip bleven. Pas na een paar maanden kon ik het aan om hem te bezoeken. Ik wilde weten hoe het met hem ging, hoe hij zich voelde.

 

Kwaadheid werd bezorgdheid. Hem terugzien was moeilijk, maar tegelijk een hele opluchting. Hij pakte me meteen vast, we huilden samen om mama. Hij was zo blij me te zien, had niet meer verwacht dat ik zou komen. Ik mocht drie kwartier bij hem blijven. Die tijd gebruikte hij om me zijn verhaal te vertellen. Vanaf dat moment bezocht ik hem wekelijks. We schreven brieven en belden geregeld. Toen hij na meer dan een jaar werd vrijgelaten, was ik degene die hem opwachtte aan de gevangenispoort. Dat was vreemd na hem een jaar alleen te hebben gezien in die kleine bezoekruimte.

 

Hij was duidelijk opgelucht, onderweg praatte hij aan één stuk door. De eerste maand na zijn vrijlating trokken mijn vriend en ik bij hem in. Hij had hulp nodig om zijn leven weer op poten te zetten. We hielpen hem werk te vinden. Niemand op zijn nieuwe job kent zijn verleden. Het leek ons beter dat hij met een schone lei kon beginnen. Hij heeft even een vriendin gehad, maar aan die relatie is ondertussen een einde gekomen. Hij is mijn moeder duidelijk nog niet vergeten, al wil hij heel graag verder met zijn leven. Twee jaar lang heeft zijn leven stilgestaan. Twee jaar alleen, weg van zijn familie, met niets anders om handen dan na te denken over wat hij had gedaan.

Alle processen, de gevangenisstraf, het ligt ondertussen achter ons. Nog één laatste ding en dan kunnen we dit hoofdstuk proberen af te sluiten: mijn broer woont tot vandaag nog altijd bij mijn grootmoeder en komt maar één weekend per twee weken naar mijn vader. Maar binnenkort mag hij eindelijk weer bij papa wonen. Dan valt alles weer in de plooi en kunnen we verder met onze verwerking. Want het verdriet slijt niet.”

 

“Zes maanden geleden heb ik een zoontje gekregen, Ruben. Tijdens mijn zwangerschap miste ik mama meer dan ooit. Ik wilde weten hoe haar zwangerschappen waren, hoe het was toen wij pas waren geboren… Ik mag mijn vader alles vragen. Er zijn geen taboes. Als ik iets wil weten of over mama wil praten, kan ik altijd bij hem terecht. Zelf begint hij zelden over haar, hij heeft het er moeilijk mee om over mama te praten. Zijn leven is getekend door spijt, verdriet en schuldgevoel over wat hij ons heeft afgenomen.

 

Ik weet dat hij altijd aan haar denkt, altijd spijt heeft van wat hij heeft gedaan. Ik hoop dat zijn verdriet slijt. Ik mis mijn moeder en zal haar altijd blijven missen, maar kwaad zijn op mijn vader heeft geen zin. Ik verwijt hem niets meer. Ik heb liever een gelukkige vader die vooruitkijkt dan een vader die met spijt in het verleden leeft. Ik heb hem vergeven, ja. Hij is meer dan genoeg gestraft. Zijn gevangenisstraf is voorbij, maar eigenlijk heeft hij levenslang gekregen: hij moet verder zonder mijn moeder. Elke dag zonder haar is voor hem een straf. Niemand verdient het levenslang te lijden, wat hij ook heeft gedaan.

 

Ik heb me lang schuldig gevoeld om wat er is gebeurd. Uiteindelijk had ik mama gebeld en haar gevraagd om naar huis te gaan. Maar wat was er anders gebeurd? Als ik niet had gebeld, was ik misschien mijn vader kwijt. Ik heb hem nooit gevraagd waarom hij die dag zo graag alleen wilde zijn. Ik ben bang voor het antwoord. Mijn vader woont alleen. Moet ik me dan vanaf nu elk moment zorgen maken over hem? Ik hoef niet alles te weten. Wat er die dag precies is gebeurd, bijvoorbeeld. Mijn vader kan het zich zelfs amper nog herinneren.

 

Volgens onderzoek moet hij mama’s hals minstens vijftien seconden hard hebben dichtgeknepen. Dat kan hij zich niet meer voorstellen. Ach, ik heb voor mezelf een verklaring gevonden en daar heb ik vrede mee. Mijn vader is een rustig man. Tijdens een ruzie werd hij stil, hij wilde het liefst weglopen en mijn moeder negeren. Maar zij was een hevige ruziemaker. Ze daagde hem uit tot hij reageerde en zijn stoppen zijn doorgeslagen. Zo moet het zijn gebeurd. Maar ik wil er niet meer te veel bij stilstaan. We zijn nu twee jaar verder en de behoefte om het achter me te laten is groot.

 

Twee jaar lang heeft die gebeurtenis mijn leven overheerst. Het is goed geweest, ik moet verder. Ik heb een tijd last gehad van angstaanvallen – posttraumatische stress volgens de psycholoog – maar de laatste tijd voel ik de spanning steeds meer afnemen. Het gaat steeds beter met me. Mijn zoontje is het beste bewijs dat het leven ook gewoon mooi kan zijn.'

 

Hoe moeilijk is vergeven?

Psychologe Katy Bartels: 'Charissa is een sterke vrouw, haar vader vergeven was niet makkelijk. Veel mensen blijven in de cirkel van woede, wrok en onbegrip zitten of nemen afstand om niet met die gevoelens te worden geconfronteerd. Charissa doorliep verschillende fasen en kwam zo bij de ultieme fase van vergeving terecht.

 

In de fase van overleven probeer je overeind te blijven, zonder veel te beseffen. Van die eerste periode herinnert ze zich niet zoveel. Na een paar maanden maken kwaadheid en onbegrip plaats voor een andere emotie: bezorgdheid. Charissa heeft begrip voor het verdriet van haar vader, ze weet dat hij oprecht spijt heeft van wat hij heeft gedaan en worstelt met schuldgevoelens, spijt en verdriet. Dat maakt begrip en steun mogelijk, en uiteindelijk ook vergeving. Het verdriet zal blijven en zal ruimte blijven vragen. Maar er is ook warmte, Charissa kan altijd bij haar vader terecht. De verwerking van het trauma gaat voor het hele gezin verder. Ze pakken dit heel goed aan.'

 

Lees ook:

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content

' ' '