Home Columns COLUMN: ‘Ik vroeg het meisje dat mijn jas aanhad naar het merk,...

COLUMN: ‘Ik vroeg het meisje dat mijn jas aanhad naar het merk, waarop zij fout antwoordde. Primark, as if!’

'Mijn lief zal zeggen dat ik te veel jassen heb, maar dat is een leugen. Elk meisje heeft opties nodig en laat niemand je iets anders wijsmaken.'

© Catherine Kosters

Catherine houdt van haar lief, hotelbedden en ketchup. Tot de dag dat zelfspot een olympische discipline wordt, deelt ze hier elke week haar avonturen.

Mijn lief zal zeggen dat ik te veel jassen heb, maar dat is een leugen. Hij zal je wijzen op de aanwezigheid van vier groene mantels, maar dat is misleidend. Ze zijn namelijk niet zomaar groen: mos-, gras-, dennen- en Kermitgroen, respectievelijk. Elk meisje heeft opties nodig en laat niemand je iets anders wijsmaken.

Mijn grootste passie is nepbont. Ik bezit faux-fur in alle kleuren van de regenboog. Momenteel telt mijn collectie zeven exemplaren, maar ooit waren het er acht en bijna werden het er zes. Dat zit zo. Mijn zwarte jas verloor ik op café. Het ene moment hing hij aan een stoel te shinen, het volgende was-ie foetsie. Ik dacht ’m nog te spotten om de schouders van een toevallige voorbijganger, maar het bleek een Duitse toerist met een voorliefde voor konijnenpels. Omdat ik haar al onterecht van diefstal beschuldigd had, zweeg ik wijselijk over het dierenleed en etste ik bibberend naar huis. Toen waren ze nog met zeven.

Verontwaardigd maar nog steeds vriendelijk – wanneer ik zat ben, zie ik de mensen graag – stapte ik op haar af. ‘Nu ben ik toch wel echt zéker dat het mijn jas is.’

Mijn dennengroene jas leek enkele weken later ei zo na hetzelfde lot beschoren (hah!). Ik bevond me op een halloweenfeest zonder vestiaire – je spullen onbewaakt achterlaten, da’s pas eng. Gelukkig viel het kleurrijke kledingstuk best op tussen alle bodypaint en latex. Toen ik ergens in het feestgedruis een blonde deerne in het groen spotte, ging er dan ook een alarmbelletje rinkelen. ‘Zou het kunnen dat je mijn jas aanhebt’ vroeg ik beleefd. ‘Nee hoor, hij is van mij’, reageerde ze zelfverzekerd. Ik droop goedgelovig af en kwam niet veel later tot de vaststelling dat mijn eigen exemplaar uiteraard verdwenen was.

Jasloos speurde ik de keet af op zoek naar gerechtigheid. Ik stond op het punt om mijn queeste te staken en verslagen een taxi te bellen toen de Grote Blonde Wolf weer ten tonele verscheen, met om haar schouders het groene imitatiegeitje. Verontwaardigd maar nog steeds vriendelijk – wanneer ik zat ben, zie ik de mensen graag – stapte ik op haar af. ‘Nu ben ik toch wel echt zéker dat het mijn jas is’, probeerde ik nog eens, maar zij hufte, pufte en ontkende elke beschuldiging. Sluw vroeg ik haar naar het merk in kwestie, waarop zij het verkeerde antwoord gaf. Primark, as if. Ik vatte haar bij de kraag, wees triomfantelijk naar het label en eiste mijn lang verloren dochter terug.

Wat volgde was een zedenpreek waaraan mijn moeder nog een puntje kon zuigen. Dat ze mijn jas gestolen had, tot daaraan toe, maar dat bedrog! Ze moest zich schamen. De wolf keek me schaapachtig aan en zei zonder blozen: ‘Je hoeft heus niet zo boos te worden, het is maar een jas.’ Leugens.

Meer columns van Catherine:

Jobs

Nog 1 stap voor je onze desktop-meldingen kan ontvangen!

Geef je browser toestemming om je desktop-meldingen van Flair te sturen.