Home Columns COLUMN: ‘Onze vechtpartijen waren zo heftig dat ze mijn moeder tot waanzin...

COLUMN: ‘Onze vechtpartijen waren zo heftig dat ze mijn moeder tot waanzin dreven’

'Zoals het welopgevoede jongedames betaamt, gingen we regelmatig op de vuist.'

Catherine houdt van haar lief, hotelbedden en ketchup. Tot de dag dat zelfspot een olympische discipline wordt, deelt ze hier elke week haar avonturen.

Sommige dingen begrijp je alleen als je zussen hebt. Hoe je elkaar wel kan vermoorden en toch doodgraag ziet. Hoe je zoveel kan delen en toch zo kan verschillen. Hoe het ongevraagd betreden van een kleerkast als oorlogsverklaring geldt. Vraag maar aan Charlotte, Céline, Candice en Catheline, de vier zussen die ik interviewde (deze week in Flair, blz. 64).

Net als ik groeiden ze op in een nest vol vrouwen. Net als ik weten ze dat dat veel voordelen kent – je hebt altijd iemand om je haar te vlechten en er is nooit een gebrek aan tampons in het badkamerkastje. Net als ik hopen ze ooit moeder van een dochter te worden. Niet omdat ze iets tegen jongens hebben, maar omdat ze meisjes kénnen.

Zelf dacht ik als kind jarenlang dat jongens drie teelballen hadden, zo alien waren ze voor mij. Een vreemde diersoort die ik op school vol verwondering gadesloeg, maar vooral niet in huis wilde halen. Nog niet. Ondanks de gelijkenissen bleek het gezin van de vier dames op één vlak radicaal van dat van mij te verschillen. Terwijl zij zelden of nooit ruzie maakten, maakten mijn eigen zussen en ik elkaar het leven zuur.

Onze vechtpartijen waren zo heftig dat ze mijn moeder tot waanzin dreven. Zij dreigde er meermaals mee om ons langs de snelweg te dumpen wanneer we weer eens aan het kibbelen waren op de achterbank. Wij geloofden haar toen en ik geloof haar nog steeds. Dat van die vechtpartijen mag je trouwens letterlijk nemen, want zoals het welopgevoede jongedames betaamt, gingen we regelmatig op de vuist.

Zoals het welopgevoede jongedames betaamt, gingen we regelmatig op de vuist.

Toen mijn jongste zus nog een baby was, beet ik haar. ‘Ik speelde dat ik een tijger was’, legde ik rustig uit. Mijn schrikbewind hield op toen de kleine op judoles ging. Vandaag legt ze elk van ons moeiteloos in een houdgreep. De middelste zus moest minder van geweld weten, maar wedijverde met mij op een ander niveau. Ik was de seut die goed studeerde en zij de rebel die rokend aan de schoolpoort stond. Ze was vele malen stoerder dan ik en daardoor onmogelijk te kloppen in onze puberale populariteitswedstrijd.

Achteraf bekeken waren wij best hard voor elkaar. Dat moest ook. Bij gebrek aan een grote broer leerden we om onszelf te verdedigen. Tegen slagen, verwensingen en tijgerbeten. Wij waren prinsessen en soldaten. Hartsvriendinnen en aartsvijanden.

Opgroeien is overleven en bekvechten was ónze manier om elkaar voor te bereiden op de grote boze wereld, vol mannen en monsters met drie ballen. Want dat is wat zussen doen.

Meer columns van Catherine:

Jobs

Nog 1 stap voor je onze desktop-meldingen kan ontvangen!

Geef je browser toestemming om je desktop-meldingen van Flair te sturen.