Home Straf Verhaal Dora groeide op in een tehuis: ‘Ik kon niet vatten dat mama...

Dora groeide op in een tehuis: ‘Ik kon niet vatten dat mama mij koudweg achterliet en mijn zus wél meenam’

‘Opgeven of mij laten gaan was geen optie. Ik móést en zou iets maken van mijn leven’

Nadat haar moeder was verdwenen en haar vader aan zijn huwelijksbreuk ten onder dreigde te gaan, belandde Dora (32) in een tehuis van Jeugdhulp. Maar in tegenstelling tot Jordy, die nadat hij de Jeugdhulp had verlaten, overleed aan de gevolgen van ontbering, kwam Dora wél mooi op haar pootjes terecht.

‘Ik ben geboren in een gezin met vier kinderen. Papa had twee zonen uit een vorige relatie, samen met mama kreeg hij mij en mijn jongere zusje. Papa was bediende en mama werkte als verpleegster. Voor mij, als jong meisje, leken mijn kinderjaren doodnormaal te verlopen. Van de problemen die toen al sluimerden, heb ik als kind nooit iets gemerkt. Pas vanaf de lagere school begon ik te beseffen dat het er bij ons thuis anders aan toe ging dan in de gezinnen van mijn klasgenootjes.

Mijn ouders deden niets anders dan ruziemaken en mijn zus en ik konden alleen maar toekijken en wachten tot de bom zou barsten.

‘Mijn ouders maakten vaak ruzie en dat escaleerde soms in agressie. Alles wees erop dat het serieus fout zou lopen tussen hen. Maar mijn zus en ik konden alleen maar lijdzaam toekijken en wachten tot de bom zou barsten. Hoe meer de tijd vorderde, hoe erger mijn ouders zichzelf leken te verliezen. Ze zochten een houvast in vreemde geloofsovertuigingen. Papa trok naar India om een goeroe te gaan opzoeken en mama sloot zich aan bij een charismatische geloofsgemeenschap. En ook hun emoties gingen alle kanten op. Mama kon het ene moment heel lief zijn om tien minuten later bijzonder agressief uit de hoek te komen. Als klein meisje wist ik nooit in welke sfeer ik zou thuiskomen. Uiteindelijk werd de verstandhouding tussen mijn ouders zo slecht, dat ze besloten te scheiden.’

Mama verdween met de noorderzon

Je ouders zien uit elkaar gaan, is niet makkelijk. Maar het werd voor mij pas echt ondraaglijk thuis, toen mama van de ene op de ander dag met de noorderzon verdween. Ze was samen met mijn kleine zusje alleen gaan wonen op een appartement, kwam de laatste van haar spullen halen en wandelde het huis uit. Ik had geen flauw benul van wat ze van plan was. Maar het was de laatste keer dat ik mijn mama zag. Toen we haar na een aantal dagen niet meer te pakken kregen, zijn we te weten gekomen dat ze met mijn zusje naar het buitenland was getrokken. Papa en ik bleven verweesd achter en wisten niet eens waar ze naartoe was. Achteraf bleek dat ze torenhoge schulden had opgebouwd en diep in de miserie zat. Misschien is ze daarom gevlucht?’

Het enige wat mijn moeder voor me had achtergelaten, was een verjaardagscadeau dat ze in de zetel had gelegd.

‘De vraag waarom mama me achterliet toen ik amper elf jaar oud was, kan ik tot op de dag van vandaag nog altijd niet beantwoorden. Dat mama mijn zus wél meenam, en mij koudweg liet stikken, kon ik ook totaal niet vatten. Het enige wat ze voor me had achtergelaten, was een verjaardagscadeau dat ze in de zetel had gelegd. Maandenlang heb ik het cadeau onaangeroerd op de kast laten liggen, omdat ik verwachtte dat ze ooit zou terugkomen, en het me dan wel zelf zou willen geven. Maar na enkele maanden gaf ik de moed op en heb ik het toch geopend. Het was een jas. Zonder kaartje, briefje, of enige andere uitleg erbij. Meteen het laatste cadeau dat ik ooit van mijn moeder heb gekregen.’

Volledig geïsoleerd

‘De woede die papa tegenover mama voelde, was enorm. Daardoor kon ik met mijn verdriet ook niet bij hem terecht. Mama had ons zoveel aangedaan dat papa onmogelijk kon begrijpen dat ik haar, ondanks alles, wel miste. Het huishouden kwam volledig op mijn schouders terecht. Als meisje van amper twaalf kookte ik, hield ik het huis op orde en trok ik met de was naar het wassalon. Wanneer ik echt niet wist wat gedaan, kreeg ik hulp uit de buurt. Van mijn vroegere onthaalmoeder bijvoorbeeld, die verderop in onze straat woonde. Maar voor de rest moest ik vooral heel erg mijn plan zien te trekken. Aan papa had ik weinig of niets. Die ging langzaam aan de situatie ten onder en bleef steeds vaker weg van huis.’

Zodra mijn moeder ons verliet, bleef mijn vader steeds vaker weg van huis. Ik moest mijn plan maar zien te trekken.

‘Op school voelde ik me heel abnormaal, sprak ik zo weinig mogelijk over thuis en raakte ik volledig geïsoleerd. Slechts één vriendinnetje was op de hoogte van de wantoestanden bij ons thuis. Maar toen de juf op een dag een briefje onderschepte dat ik in de klas stiekem aan dat vriendinnetje wilde doorgeven, kwam ze achter de waarheid. Ze speelde mijn briefje door aan het Centrum voor Leerlingenbegeleiding en schakelde hen in om zich over de situatie te buigen.’

‘Dat mijn geheim plots was uitgekomen, gaf mij een heel dubbel gevoel. Ik voelde me al een hele tijd zo slecht in mijn vel dat ik aan de ene kant opgelucht was dat ik misschien eindelijk geholpen zou worden. Maar aan de andere kant was ik ook heel bang voor de reactie van mijn vader.’

Naar de psychiatrie

‘Nadat het CLB op de hoogte was gebracht van mijn situatie, heb ik een tijdlang therapie gekregen. Ik kwam bij een heel aantal verschillende therapeuten terecht, waardoor ik de indruk kreeg dat ze zelf ook niet goed wisten hoe ze het moesten aanpakken. Ondertussen was ik een jaar of veertien en was ik ook volop in mijn puberteit beland. Ik rebelleerde enorm. School interesseerde mij niet meer, ik experimenteerde met drugs, ging stevig op stap, en kwam sommige dagen zelfs niet meer naar huis. Alles was goed om zoveel mogelijk aan de harde realiteit van elke dag te kunnen ontsnappen, en het verdriet om het gemis van een moeder te kunnen verdringen.’

De regelmaat in de instelling was zo’n openbaring dat ik me al snel veel beter in mijn vel voelde.

‘Ik kreeg meer en meer last van depressieve buien en raakte mezelf zo hard kwijt dat ik uiteindelijk in de psychiatrie terechtkwam. Of psychiatrische begeleiding echt was wat ik op dat moment nodig had, weet ik niet. Maar ik ben in de psychiatrische instelling in ieder geval wel tot rust gekomen. De regelmaat in de instelling was zo’n openbaring voor mij dat ik me vrij snel een stuk beter in mijn vel voelde, ook al was het niet makkelijk om te moeten leven tussen mensen met hele zware mentale problemen. Ik had er geen moeite mee dat ik niet naar huis kon, maar mijn vrienden miste ik wel enorm.’

Geen pleeggezin voor handen

Zodra ik opgenomen was, ging ik op school meteen over de tong. Ik was diegene die in het zottenkot was gestopt, van zo iemand konden ze maar beter zo ver mogelijk wegblijven. Gelukkig wisten mijn vrienden en hun ouders wel hoe de vork in de steel zat, en hadden zij veel begrip voor mijn situatie. Bij een van mijn vriendinnetjes mocht ik soms zelfs tijdens het weekend blijven logeren, zodat ik ook eens een normaal gezinsleven kon ervaren en mee op stap kon, naar een Chirofuif bijvoorbeeld.’

Van de weinige pleeggezinnen die voorhanden waren, zat er geen enkel te wachten op een puber die in de psychiatrie had gezeten.

Ik heb geprobeerd om tijdens mijn verblijf in de psychiatrie mijn opleiding in de richting economie-moderne talen verder te blijven volgen, maar als “kind uit een problematische opvoedingssituatie”, was dat niet evident. Ik had een te zware buis voor wiskunde en moest uiteindelijk mijn vierde jaar overdoen. Terug naar huis gaan toen ik me mentaal opnieuw sterker voelde, was geen optie. Van de weinige pleeggezinnen die voorhanden waren, zat er geen enkel te wachten op een puber die een paar maanden in de psychiatrie had doorgebracht. En de wachtlijsten voor een opvangplaats in een tehuis van bijzondere jeugdzorg, waren lang. Daardoor zat er voor mij niets anders op dan in de psychiatrische instelling te blijven wonen.’

‘Solliciteren’ voor een tehuis

‘Een jaar lang zag het er niet naar uit dat ik snel een nieuwe thuis zou vinden. Tot ik plots verrassend nieuws kreeg. Ik mocht op intakegesprek gaan bij een tehuis voor dertig meisjes, waar er een plaats zou vrijkomen. Meteen kreeg ik het gevoel alsof ik een examen moest gaan afleggen dat de rest van mijn leven zou bepalen. Ik was bloednerveus en deed mijn uiterste best om de mensen van het tehuis te overtuigen dat ik me echt zou gedragen. Mijn geluk kon dan ook niet op toen ik te horen kreeg dat ik was toegelaten en niet lang daarna zou kunnen verhuizen.’

Kort nadat ik Child Focus contacteerde, werden mijn moeder en zus teruggevonden op de Filipijnen.

‘Van mama of mijn zusje had ik al die tijd geen enkel teken van leven meer gekregen. Ik miste hen enorm maar had geen flauw benul waar ze waren, of hoe ik hen ooit zou kunnen terugvinden. Omdat ik geen idee had waar ik daarmee anders terecht zou kunnen, contacteerde ik Child Focus en vertelde ik dat ik mijn zus was kwijtgespeeld. Tegen al mijn verwachtingen in, namen zij mijn oproep heel ernstig. Er werd meteen een onderzoek opgestart. Niet veel later werden mijn moeder en zus teruggevonden op de Filipijnen en mocht ik naar de Belgische ambassade afreizen om hen te ontmoeten. Om eindelijk aan mijn moeder te kunnen vragen wat ik mij gedurende meer dan vijf jaar miljoenen keren had afgevraagd: waarom had ze mij zomaar achtergelaten? Door die onwetendheid en onzekerheid was ik in de loop der jaren al mijn zelfvertrouwen kwijtgeraakt.’

Hallo, mama

‘De ontmoeting met mijn moeder verliep heel surreëel. De excuses waarop ik hoopte en de antwoorden waar ik zo naar verlangde, kreeg ik niet. Het enige wat mijn moeder na vijf jaar zei, was dat ze was weggegaan bij papa omdat ze zich niet meer veilig voelde. Maar de vraag waarom ze mij dan wél bij hem had achtergelaten, bleef onbeantwoord. Mijn zus terugzien voelde wel heel fijn, ook al was zij niet meer het kleine kind dat ik thuis had zien vertrekken. Er was onmiddellijk weer een connectie tussen ons.’

Mijn moeder en ik startten met gezinsgesprekken onder begeleiding van een therapeut, maar die draaiden uit op niets.

‘Het afscheid in de Filipijnen was moeilijk, maar ik was blij dat ik na mijn terugkeer eindelijk mijn plekje vond in het tehuis. Niet veel later keerde mijn moeder voor een tijdje terug naar België. Er werden gezinsgesprekken opgestart tussen haar en mij, onder begeleiding van de gezinstherapeut van het tehuis, maar die draaiden uit op niets. Ik was té hard op zoek naar antwoorden die zij niet wilde geven. Dus bleef ik in het tehuis wonen en probeerde daar mijn draai te vinden. Met vallen en opstaan.’

Het leven zoals het is: het tehuis

‘Leven met dertig pubers die elk hun persoonlijke rugzak vol problemen meedragen, en daar elk op hun eigen manier mee omgaan, was niet evident. Maar toch voelde het tehuis voor mij, voor het eerst sinds lang, als thuiskomen. Ik zag rondom mij meisjes ongewenst zwanger worden, anderen raakten in ongezonde relaties verwikkeld, of zochten hun heil in drugs of geweld. De situatie liep meermaals uit de hand. Op momenten waarop er in het tehuis maar een minimum aan hulpverleners werkten, moest de politie soms zelfs tussenbeide komen.’

De situatie in het tehuis liep meermaals uit de hand. Soms moest de politie zelfs tussenbeide komen.

‘Ik hield me er vooral zo ver mogelijk van weg en probeerde een vriendenkring in stand te houden, buiten het tehuis. Enkel met de meisjes die dezelfde positieve drive probeerden aan te houden als ik, heb ik vriendschappen gesloten, die zelfs nog altijd bestaan. Ik heb in het tehuis extreme hoogtes en dieptes gekend. Samen met de meisjes heb ik een aantal heel mooie zomerkampen beleefd. Maar de gezinsgesprekken die er een tijd gevoerd werden met mijn ouders, waren mentaal heel zwaar. Toen ik mijn eerste liefdesverdriet moest verwerken en mijn begeleidster met vakantie was, voelde ik mij bijvoorbeeld verschrikkelijk alleen.’

De hulpverleners in het tehuis motiveerden mij om mijn studies af te maken. Dat gaf me toch een soort van thuisgevoel.

‘Er was een tekort aan hulpverleners in het tehuis, maar toch heb ik nooit het gevoel gehad dat ik aan mijn lot werd overgelaten. De hulpverleners met wie in contact gekomen ben, deden hun uiterste best om er altijd te zijn voor mij als ik ze nodig had. Ze motiveerden mij ook enorm om mijn humaniorastudies tot een goed einde te brengen. Dat gaf me toch een soort van thuisgevoel. Maar op school had ik het niet makkelijk. Ik had slechts een paar vriendinnen, de rest vond mij gewoon raar en begreep niet waarom ik in een tehuis woonde. Zij waren happig naar de sappige details van mijn situatie, maar verder hadden ze liever niets met mij te maken.’

18 en op eigen benen

Ik heb hard moeten knokken in mijn tienertijd. Maar ik ben altijd rotsvast blijven geloven dat het ooit goed zou komen. Ik wilde absoluut kunnen bewijzen dat ik het beter kon dan mijn ouders. Zodra ik 18 werd, kwam er een eind aan mijn verblijf in het tehuis en kwam ik noodgedwongen op eigen benen te staan. Ik schreef me in aan de universiteit, en huurde met mijn uitkering van het OCMW een kleine studentenkamer.’

Met een leefloon van 600 euro kon ik onmogelijk rondkomen, dus combineerde ik mijn studies met drie verschillende jobs.

‘Er ging een hele nieuwe wereld voor mij open, die ontzettend mooi leek op het eerste gezicht. Maar het was bijzonder hard om op eigen houtje te moeten overleven. Met een leefloon van 600 euro kon ik onmogelijk rondkomen, dus combineerde ik mijn studies soms zelfs met drie verschillende jobs. Het leven op kot was zwaar. En wanneer alle studenten op vrijdagavond naar huis gingen en ik met mijn waszak naar het wassalon trok, voelde ik mij heel eenzaam. Maar opgeven of mij laten gaan was geen optie voor mij. Ik móést en zou mijn diploma behalen en iets maken van mijn leven.’

Dat mijn relatie met de vader van mijn kinderen niet heeft standgehouden, voelt aan als een gigantisch falen.

‘En dat is me ook gelukt. Ik heb mijn diploma behaald, ben mijn eigen marketingbedrijf begonnen en gelukkige mama geworden van twee kinderen. Dat mijn relatie met hun vader niet heeft standgehouden, daar heb ik het heel moeilijk mee. Dat voelt aan als een gigantisch falen. Maar ik probeer er alles aan te doen om mijn kinderen een zo warm mogelijk nest te bieden.’

Dubbel zo hard moeten knokken

‘Met mijn vader heb ik al jaren geen contact meer en ook mijn moeder heb ik al zeker vijf jaar niet meer gezien. Tegen mijn kindjes zeg ik voorlopig nog altijd dat mijn mama en papa héél ver weg wonen, als ze vragen waarom zij maar één opa en oma hebben.’

Als moeder én als jonge ondernemer sta ik vandaag stevig in mijn schoenen en voel ik me goed in mijn vel.

‘Voor al wat ik in mijn leven bereikt heb, heb ik dubbel zo hard moeten knokken. Maar mijn leven in de bijzondere jeugdzorg heeft mij sterker gemaakt. En daar pluk ik vandaag nog altijd de vruchten van. Als moeder én als jonge ondernemer sta ik vandaag stevig in mijn schoenen en voel ik me goed in mijn vel. Ik kan mijn kinderen alles geven wat ze nodig hebben en daar ben ik wel trots op. Ondanks alle pijn en kwetsuren die ik in het verleden heb opgelopen, ben ik er zelfs in geslaagd om mijn zelfvertrouwen en vertrouwen in de mensen rondom mij voor een groot deel terug te winnen. Behalve in de liefde. Dat zal voor altijd een teer punt blijven voor mij.’

De moeilijkheden binnen Jeugdhulp

Peter Jan Bogaert, woordvoerder van Agentschap Jongerenwelzijn: ‘Het blijft voor Jeugdhulp – zoals de voormalige bijzondere jeugdzorg vandaag genoemd wordt – een uitdaging om voor alle hulpvragen tijdig een gepast antwoord op maat te geven. In 65 procent van de gevallen kan gespecialiseerde hulp binnen de twee maanden worden opgestart. Soms is het langer wachten, maar dan wordt in tussentijd wel een alternatieve oplossing geboden. De budgetten voor jeugdhulp zitten in de lift, maar ook de komende jaren zal er extra geld nodig zijn.’

De budgetten voor jeugdhulp zitten in de lift, maar ook de komende jaren zal er extra geld nodig zijn.

‘Een tweede uitdaging is om het aanbod dat er nu al is beter op elkaar af te stemmen, zodat er een betere samenwerking tot stand kan worden gebracht tussen jeugdzorg, geestelijke gezondheidszorg, de sector van personen met een handicap, Kind & Gezin, CLB’s… En we zetten extra in op de ondersteuning van jongvolwassenen.’

Extra investeringen zijn broodnodig

‘Alle jongeren hebben recht op voortgezette jeugdhulp tot 21 jaar, in sommige gevallen zelfs tot 25 jaar. Jaarlijks doen ruim 1.000 jongeren daar ook een beroep op. Alleen kan die hulp nooit worden opgelegd. Het is een vrijwillige keuze van de jongere zelf. Om drama’s als dat van Jordy in de toekomst zo veel mogelijk te kunnen vermijden, zet het beleid nu extra in op het versterken van het netwerk en de sociale competenties van de jongeren die uit de jeugdhulp komen. En bij het verlaten van de jeugdhulp wordt iedereen die de jongere kan helpen, rond de tafel gezet, zodat de jongere weet bij wie hij terechtkan als hij hulp nodig heeft. Voor de gespecialiseerde hulp stonden er eind 2015 zo’n 7.000 jongeren op een wachtlijst. Dat is ook voor ons veel te veel. Want onze hulp kan alleen maar effectief zijn, als ze snel wordt geboden. Extra investeringen in laagdrempelige hulp zijn dus broodnodig, zodat we snel kunnen ingrijpen en vermijden dat problemen escaleren. De druk op onze diensten is groot, maar we proberen iedereen zo goed als mogelijk verder te helpen.’

Jobs

Nog 1 stap voor je onze desktop-meldingen kan ontvangen!

Geef je browser toestemming om je desktop-meldingen van Flair te sturen.