Home Straf Verhaal Amber (20) overleefde twee zelfmoordpogingen

Amber (20) overleefde twee zelfmoordpogingen

'"We moeten eens iets gaan eten", zei mijn vader. "Ik mis je." Hij snapt écht niet wat hij me heeft aangedaan.'

Flair

Achterblijvers na zelfdoding hebben meestal één vraag: waarom? Amber beantwoordt ze, zo eerlijk mogelijk. Zij overleefde twee zelfmoordpogingen en is nu heel gelukkig dat ze er nog is. Ze is 20 en combineert haar studies event & projectmanagment met een job als verkoopster. Ze heeft een vriend.

Elke dag denken mensen aan ‘de makkelijke uitweg’. Want zo heet dat dan, als je uit het leven wil stappen. Amber is er zo eentje. Twee keer zag ze de dood als de enige oplossing. Twee keer werd ze gered. Twee keer dacht ze: ‘verdomme, mislukt’. Maar nu is ze ongelofelijk blij dat het haar niet lukte. En daarom doet ze haar verhaal. Omdat ze wil dat andere jonge vrouwen die worstelen met het leven wéten dat het beter kan worden. ‘Alle mooie momenten nu zou ik hebben gemist als ik er toen in geslaagd was uit het leven te stappen. Ik probeer het nooit meer. Ik ga voluit voor het leven. En ik hoop dat mijn verhaal andere vrouwen kan helpen. Als er eentje is die door wat ik vertel naar hulp grijpt in plaats van naar pillen, ben ik ongelofelijk gelukkig.’ Het verhaal van een dappere jonge vrouw.

Amber: ‘Twee keer heb ik het geprobeerd, telkens op het diepste punt van mijn leven. Twee keer dacht ik: “Alles beter dat dit”. Ik was op, zo toe aan rust. Als de dood me iets zou brengen, was het dat. Mijn situatie thuis leidde tot mijn wanhoopsdaad. Mijn vader kreeg tien jaar geleden een hersentumor. Daarvoor moet hij een lieve, warme, zachte man zijn geweest. Ik weet het niet, ik hoor het alleen van mijn moeders verhalen. De man die ik ken, was anders. Door de bestralingen, de operaties en de medicatie was hij iemand die lichtgeraakt was, agressief zelfs. Mijn hele kindertijd herinner ik me als angstig. Bang voor wat er weer zou komen als ik de deur van ons huis opendeed. Geen ideale situatie voor een kind… Mijn moeder deed intussen alles om de zaak die mijn vader en zij ooit succesvol uitbaatten draaiende te houden, al lukte het haar niet en ging ze failliet. Mijn vader kon niet meer werken, zijn medicatie kostte veel geld: er waren véél spanningen thuis. Ik kan het mijn vader niet eens kwalijk nemen, hij is zichzelf niet meer sinds die tumor. Maar het leven thuis was heftig. Hij kon opeens, vanuit het niets, een aanval krijgen. Dan begon hij met dingen te smijten, was hij irrationeel, agressief.’

Ik was zeventien en kroop met een zakmes in bed, zo bang was ik. Natuurlijk had dat invloed op mij.

‘Anderhalf jaar geleden escaleerde het en moesten we zelfs de politie bellen omdat hij zo doordraaide. De politie kon niets meer doen dan onze verklaring opnemen. Ik was zeventien en kroop met een zakmes in bed, zo bang was ik. Natuurlijk had dat invloed op mij. Ik begon te drinken, meer dan goed voor me was. Na school ging ik niet naar huis, maar naar het plaatselijke café. Ik dronk niet, ik zóóp. Heel eerlijk, het was marginaal. Ik ben er niet trots op, maar het was mijn manier om te overleven. Dronken voelde ik tenminste even de angst en het verdriet niet. Ook toen al probeerde ik weg te lopen van een probleem dat te groot was om aan te pakken.’

De eerste keer

‘Vorig jaar kwam mijn eerste dieptepunt. Door mijn cafébezoeken bleef ik dat jaar zitten op school. Thuis werd het alsmaar erger, en op een nacht zag ik het gewoon niet meer zitten. Ik zag mijn vaders medicatie staan en dacht: “Rust.” Ik nam alle slaappillen en pillen tegen epilepsie die er stonden en ging in bed liggen. De volgende morgen werd ik wakker gebeld door Jana, mijn beste vriendin. Ze zat al in de les, vroeg me wat er aan de hand was, waar ik bleef. Groggy heb ik iets gebrabbeld, ik heb me nog aangekleed en ben naar school – vlak tegenover mijn deur – gewaggeld. Ik weet er zelf niets meer van, de verhalen heb ik achteraf gehoord. Hoe ik onze schoolsecretaresse niet meer herkende, bijvoorbeeld. Zij had meteen door dat er iets mis was en riep mijn titularis erbij. Ik reageerde amper, kon alleen nog wauwelen. Toen ze me vroeg of ik pillen had genomen, knikte ik. Mijn huisdokter werd gebeld, die zei blijkbaar gewoon “Stop haar thuis in bed.” Maar in de lift naar ons appartement zakte ik in elkaar.’

Ik werd doorverwezen naar de psychiatrie, waar ik een paar dagen later zelf vertrok.

‘Ik werd weer wakker in het ziekenhuis. Overal draden en buisjes, mijn borst helemaal zwart van de kool waarmee ze mijn maag hadden gespoeld. Ik had geen idee waar ik was of wat er aan de hand was. Mijn moeder stond aan mijn bed, hysterisch. Mijn nichtje, huilend. “Doe het nooit meer”, bleef mama maar huilen. Niet veel later kwamen mijn klasgenoten, ook helemaal overstuur. Ik werd doorverwezen naar de psychiatrie, waar ik een paar dagen later zelf vertrok. Ik had niet het idee dat ze me daar konden helpen. Ik was niet gek of zo, ik kon het leven thuis gewoon niet aan.’

En opnieuw

‘Ik herpakte me na mijn verblijf in de psychiatrie, of dat probeerde ik toch. Ik deed opnieuw mijn best op school, probeerde het drinken te beperken tot de weekends. Het lukte me, had ik het gevoel. Ik wilde de mensen die ik graag zag niet meer zo bang maken, ik probeerde er iets van te maken, echt waar. Maar de ruzies thuis bleven duren. Mijn vader wilde niet naar een revalidatiecentrum – wat hij eigenlijk nodig had – en kreeg het moeilijker en moeilijker. Hij kwam niet buiten, werd alsmaar depressiever en reageerde dat op ons af in zijn agressieve buien. Zelfs zijn dokter had met ons te doen. Af en toe, wanneer mijn vader naar het ziekenhuis moest, hield hij hem een paar dagen langer, om ons de kans te geven even op adem te komen. Maar het waren lapmiddeltjes, keer op keer opnieuw. Hij was een tikkende tijdbom, dat wisten mama en ik allebei. Ik héb haar gevraagd waarom ze niet bij hem wegging. Ooit had ze zo veel van hem gehouden, en van de man die hij was voor zijn tumor, hield ze nog steeds. Ze wilde, ondanks alles, voor hem blijven zorgen.’

Mijn vader was niet meer in te tomen. Hij brulde tegen de politie: “Zodra jullie hier weg zijn, gooi ik haar uit het raam!”, waarmee hij mij bedoelde.

‘In februari escaleerde het opnieuw. Mijn vader kreeg een van zijn woedeaanvallen en ik was zo bang dat ik in paniek op Facebook een oproepje postte: “Kan iemand NU naar ons thuis komen, asjeblieft?” Een vriend van ons is in zijn auto gesprongen en heeft zo ongeveer elk rood licht genegeerd – waardoor hij een paar politiecombi’s achter zich aan kreeg. Ik had hem gezegd dat we geen politie wilden – die hadden ons de eerste keer ook niet geholpen en dat had mijn vader alleen maar razender gemaakt – dus toen ik hem zag aankomen met de combi’s achter zich aan, was ik eerst nog boos. Mijn vader was niet meer in te tomen. Hij brulde tegen de politie: “Zodra jullie hier weg zijn, gooi ik haar uit het raam!”, waarmee hij mij bedoelde. Eindelijk zagen ze de ernst van de zaak in en namen ze hem mee naar het kantoor. “Ze gaan hem niet zomaar weer loslaten”, zei de agent tegen mij, en ze vertrokken. Ik heb zitten huilen van opluchting. Eindelijk, na al die jaren, zou er iets veranderen. Eindelijk zouden mama en ik rust krijgen. Maar twee uur later kreeg ik een bericht: mijn vader was weer vrij.’

Het zal nooit beter worden

‘Ik deed wat ik altijd deed als de stress groot werd: ik dook het café in. Pas midden in de nacht kwam ik dronken weer thuis. En weer dacht ik: “Laat ik er gewoon mee stoppen. Rust. Eindelijk.” Het was misschien egoïstisch, want ik wist hoeveel verdriet ik mama had gedaan met mijn eerste poging. Maar heel eerlijk: het kon me niet schelen. Niets kon me op dat moment nog schelen. Ik nam drie strips pillen en nam ze allemaal in. Gek is het hoe nuchter ik – ondanks de drank – die beslissing nam. Het was me gewoon duidelijk geworden: het zou niet beter worden. Er was niemand die ons kon beschermen tegen mijn vader, niemand die ons kon helpen. Ik zag gewoon geen andere uitweg. Al die jaren van angst, van paniek, ze wogen te zwaar. Alles was beter dan dit leven.’

Mijn moeder is wakker geworden van mijn gestommel, zag de lege pillendoosjes en heeft een ziekenwagen gebeld.

‘Mijn moeder is wakker geworden van mijn gestommel, zag de lege pillendoosjes en heeft een ziekenwagen gebeld. Ik was aan het wegzakken, maar hoorde de mannen nog zeggen: “Waren we hier gisteren niet? Oh god…” en toen werd het zwart. De volgende avond werd ik weer wakker in het ziekenhuis. Dit keer was ik wél meteen helder. Mijn nichtje zat weer naast me, samen met mijn mama. En weer werd ik naar de psychiatrie gebracht.’

Ik vroeg om therapie, zo snel mogelijk. Ik wilde beter worden. Ook al lijkt het voor veel mensen een vlucht en een laffe daad, zelfmoord is ontzettend heftig.

‘Die keer ben ik er gebleven. Ik voelde me er veilig, happy. Hier was geen agressie, geen stress. Er waren mensen om me heen die zacht en vriendelijk waren. Allemaal mensen met een depressie, een verslaving of een zelfmoordpoging achter de rug. De eerste keer dacht ik nog: “Ik hoor hier niet, ik ben niet gek.” Maar nu nam ik de moeite hen te leren kennen. Ik ontdekte dat onze verhalen allemaal anders waren, en toch hetzelfde. We werden close, vrienden. Ik vroeg om therapie, zo snel mogelijk. Ik wilde beter worden. Ook al lijkt het voor veel mensen een vlucht en een laffe daad, zelfmoord is ontzettend heftig. Kan je je voorstellen dat je zo diep zit dat je geen andere uitweg meer ziet dan jezelf doodmaken? En kan je je voorstellen hoe dat moet voelen? Dat is akelig en heftig, en zwaar en alles tegelijk. Ik wilde helen, de rust vinden in het leven die ik ervoor in de dood had gezocht.’

De klim naar boven

‘Twee weken na mijn opname mocht ik naar huis. “Je bent niet depressief”, zeiden ze. Natuurlijk was ik dat niet. Ik had geen probleem met mezelf, maar met mijn thuissituatie. Zodra ik daar weg was, werd ik mezelf. Vrolijk, lief, optimistisch. Ze hebben me nog een paar dagen langer laten blijven, maar toen moest ik toch echt terug naar huis. Mijn vader woonde er niet meer. Mama had door mijn tweede wanhoopspoging eindelijk de kracht gevonden ermee te kappen. Hij was dus verhuisd, maar kon wel nog altijd binnen… Een vriend kwam een hangslot aan de deur maken, wij probeerden te leren leven met de angst die er nog altijd hing. Elk krakje deed me opspringen van mijn stoel, bij elk geluid dacht ik dat mijn vader voor de deur stond. In de instelling hadden ze me geleerd om op zulke momenten te kleuren, mandala heet het, en wat héb ik gekleurd. Boeken vol. Maar inderdaad, het bracht een beetje rust. Het heeft iets hypnotiserends en hielp me weer kalm te worden bij een paniekaanval.’

Dat vind ik misschien nog het moeilijkste: het is de tumor en de behandeling die mijn vader zo maakten, hoe kan ik boos op hem zijn? Maar tegelijk heeft hij tien jaar van mijn leven stukgemaakt.

‘Ik heb mijn vader sinds februari nog één keer gezien, toen hij hier spullen kwam halen. “We moeten eens iets gaan eten”, zei hij. “Ik mis u.” Hij weet écht niet wat hij allemaal heeft aangericht. Hij heeft er geen idee van. Dat vind ik misschien nog het moeilijkste: het is de tumor en de behandeling die mijn vader zo maakten, hoe kan ik boos op hem zijn? Maar tegelijk heeft hij tien jaar van mijn leven stukgemaakt. Tien jaar lang heb ik in pure angst geleefd, net zo lang tot ik zo uitgeput was dat ik er een einde aan wilde maken.’

Ik leef. Voor het eerst in tien jaar kan ik dat eindelijk zeggen.

‘Ik voel dat ik beter aan het worden ben. De dagelijkse angst is weg, ik loop niet meer op de tippen van mijn tenen. Ik voel me weer veilig in ons huis. Ja, ik ben getraumatiseerd door wat er is gebeurd. Maar stilletjesaan leer ik weer gelukkig te zijn. Mama en ik hebben het goed samen, we helpen elkaar te helen. Ik heb mijn middelbare school – eindelijk – kunnen afmaken en begin nu aan mijn studie. Ik heb sinds een paar weken een vriend, bij wie ik me veilig en geborgen voel. Ik leef. Voor het eerst in tien jaar kan ik dat eindelijk zeggen. Mensen oordelen graag en vinden het een makkelijke oplossing, zelfmoord. Maar ik weet hoe hard het is als je niet meer weet hoe het verder moet. Voor het eerst in jaren zie ik een toekomst. Dat maakt me ongelofelijk gelukkig. Ik weet dat ik nog een weg heb af te leggen, maar tegelijk hebben de voorbije tien jaar me sterk gemaakt. Ik wéét dat het leven bestaat uit golven en dat er na een dieptepunt ook weer beterschap komt. Daarom zou ik aan al die mensen die het moeilijk hebben willen zeggen: “Geef niet op. Het wordt beter, écht waar. Ik weet het. I’ve been there.”’

Nog 1 stap voor je onze desktop-meldingen kan ontvangen!

Geef je browser toestemming om je desktop-meldingen van Flair te sturen.