Home Columns NANNY IN NEW YORK: Assepoester en het Vrijheidsbeeld

NANNY IN NEW YORK: Assepoester en het Vrijheidsbeeld

'Mijn toeristische uitjes werden beperkt tot de schoolpoort, de keuken en de goedkoopste supermarkt die ik kon vinden.'

New York
Instagram @jade_decoster

‘Je gaat zes maanden in New York wonen en werken als nanny.’ Twaalf woorden. Meer waren er niet nodig om haar leven een volledig andere wending te geven. Jade Decoster verhuisde een jaar geleden naar New York om daar als nanny te werken in een gezin met twee jongens. Elke week vertelt ze haar avonturen en verhalen aan Flair.

Ik had nog niet veel tijd gehad om New York grondig te verkennen. Times Square kon ik al van mijn lijstje schrappen, ik woonde praktisch in Central Park en Sephora had z’n jaaromzet in februari al gehaald door al mijn aankopen. Veel verder dan dat gingen mijn toeristische uitjes niet. Die werden beperkt tot de schoolpoort, de keuken en de goedkoopste supermarkt die ik kon vinden. Soms, als ik door het raam zat te staren terwijl de Oudste Overwatch speelde en schreeuwde dat hij zijn waardeloze team persoonlijk aan de Siberische tijgers in Central Park zou voeren, bedacht ik dat ik een soort moderne Assepoester was. Maar in plaats van een slechte stiefmoeder die me deed kuisen tot ik erbij neerviel, was er de Moeder die me steak deed bakken tot mijn haar er permanent naar rook. In plaats van twee slechte stiefzussen, had ik twee kinderen die een woede-uitbarsting kregen als ze hun huiswerk moesten doen en het begrip ‘groenten opeten’ zagen als een plan van Satan. In plaats van een koninklijk bal, was er een hele stad die op me lag te wachten. En in plaats van een prins, had ik… Ja, niet veel eigenlijk. Misschien pizza.

Daar kwam verandering in eind februari: de jongens hadden een paar dagen geen school, wat voornamelijk inhield dat ik 14 uur per dag werkte (van 7u tot 23u, dit is geen hyperbool) en hen bezighield met Vier op een Rij (als ik hen al achter de Playstation vandaan kreeg). Op dag drie hield ik het niet meer uit.
‘Zullen we morgen een uitstap maken?’ stelde ik enthousiast voor. De Jongste sprong meteen recht en huppelde om me heen, schreeuwend: ‘Lasertag! Lasertag! Lasertag!’
Ikzelf dacht meer aan een leuk museum en niet aan een activiteit waarbij ik een hersenschudding kon oplopen, maar ik was al blij dat ik tenminste één van de jongens enthousiast kreeg.
De Oudste had zich niet verroerd. ‘Ik ga helemaal nergens heen,’ zei hij zonder op te kijken van het scherm. Hij schoot een paar Overwatch-personages dood.
‘Oh, kom op! Het gaat heel leuk worden’, zei ik. ‘We kunnen naar het National History Museum gaan en naar de dinosaurussen kijken. En daarna kunnen we gaan eten, waar jullie ook willen!’
Hij keek nog steeds niet op, maar ik zag een vaag glimlachje. Eten helpt altijd.

Toen de Moeder (eindelijk, wat doet een mens elke dag tot 22u op kantoor??) iets voor middernacht thuiskwam, stelde ik meteen mijn idee voor. Uiteraard vond ze het niet goed genoeg. Bijna alles wat ik voorstelde, van het avondeten tot uitstapplannen, werd beantwoord met een ‘Hmm’. Nu was het niet anders.
‘Hmm’, zei ze. ‘Maar morgen zou het zo hard regenen.’ Ik staarde haar aan. Wat maakte dat in godsnaam uit als we binnen zitten? Soms had ik het gevoel dat ik in een aflevering van de Twilight Zone zat.
‘Oké’, perste ik er glimlachend uit. Toen kreeg ik een idee. ‘Wat dacht u ervan op vrijdag naar het Vrijheidsbeeld te gaan?’ Toen ik eerder met de jongens brainstormde over leuke dingen, kwam ik erachter dat ze nog nooit het Vrijheidsbeeld bezocht had, hoewel ze al hun hele leven in New York woonden. En ik wist dat de Moeder vrijdag niet ging werken. Wat ik dan bij hen thuis zat te doen, was me een raadsel.
Eindelijk, éíndelijk, glimlachte de Moeder naar me. Een vage glimlach, maar tenminste geen frons meer. ‘Dat lijkt me wel leuk.’ Halleluja. ‘Ze hadden eigenlijk een playdate met een vriendinnetje, maar dan nemen we haar gewoon mee. Goed idee, Jade.’ Ze glimlachte bijna echt naar me. Bijna. Maar toen verscheen de eeuwige frons weer en zei ze dat ik kon gaan. Dus ik ging. Het was net middernacht geweest. Assepoester left the building.

Op vrijdag vertrokken we naar het laagste puntje in Manhattan om de boot naar het Vrijheidsbeeld te nemen. Gelukkig was de Moeder erbij, dus kon ik niet weer een metrofiasco hebben en eindigen in Poughkeepsie. We zaten bijna een uur op de metro, waarbij de Oudste twee woedeaanvallen kreeg omdat hij gedwongen was zijn gsm en ps4 achter te laten, en de Jongste begon te huilen omdat hij op zijn moeders schoot wilde zitten. Ik voelde me een beetje het vijfde wiel, maar dat was ik ondertussen wel gewend.
Toen we aankwamen, kon ik wel huilen: het oppervlak van de zee was overgoten met een ondoordringbaar dikke mist. We konden amper een meter voor ons uit kijken, laat staan dat we het Vrijheidsbeeld gingen zien. Daar gingen al mijn Instagramfoto’s.
We werden opgewacht door het vriendinnetje, Gabby, en haar nanny, Luisa. Luisa was een jaar of 55 en sprak met een zwaar Spaans accent. Ik dacht dat we wel vriendschappelijk met elkaar om konden gaan, nanny’s onder elkaar, maar daar dacht zij anders over. Blijkbaar was er zelfs een hiërarchie bij nanny’s, waar jonge en onervaren nanny’s een beetje gelijkstonden aan een lastige vlieg, zeker als die vlieg niks wist over het nanny-zijn en zich overal maar een beetje doorworstelde. De boottocht was koud maar leuk, en ik probeerde de kinderen niet overboord te laten vallen. Dat lukte, dus ik deed toch iets goed die dag.

Uiteindelijk klaarde de mist op en brak de zon zelfs wat door, zodat ik een paar geslaagde New York skylinefoto’s had. Het beeld zelf was groot en indrukwekkend, precies zoals ik verwachtte. De Jongste amuseerde zich enorm, naar alles wijzend en vragen stellend. We keken een tijdje naar een steeds in het water duikende eend en hadden een discussie over hoe we hem zouden noemen. Ik wilde Cupcake. De Jongste wilde Spiderman.
De Oudste verveelde zich dood en bleef aan de lopende band klagen en weglopen. Met de Moeder erbij durfde ik mijn stem niet echt te verheffen. Wie was nu de baas, zij of ik? Uiteindelijk klaagden de kinderen te erg dat ze honger hadden, dus gingen we in het (veel te dure naar wat het aanbood) restaurant op het eiland, waarbij ik een kippenburger kocht die waarschijnlijk was geproduceerd in 2005.
Luisa en een gedwongen Gabby zeiden een uitgebreid gebed voor ze aten. Ik probeerde niet te staren, maar ik had nu eenmaal nog nooit zo’n religieuze toewijding gezien in het echte leven. Het gesprek ging helaas redelijk snel over naar religie. Ik wist dat de Moeder erg katholiek was en altijd een kruisje om haar nek droeg. Ik hield me braaf buiten de conversatie, wetende dat ik mezelf niet populair ging maken. Maar het werd me, uiteraard, weer niet gegund.
‘Ben jij gelovig, Jade?’ vroeg de Moeder me. Ik had net een grote hap van mijn koude kippenburger genomen, dus het duurde een tijdje voor mijn mond leeg was. Dat was goed. Zo kon ik tenminste denken.
Ik had me al voorbereid op deze vraag. De Verenigde Staten is nu eenmaal het land waarvan 77% van de bevolking gelooft in engelen. Mijn atheïstische ik zou gevierendeeld worden. Ik ben niet eens gedoopt. Maar ik kon nu eenmaal niet liegen.
‘Ik ben atheïst’, zei ik glimlachend, en ik at verder. Stel geen andere vragen, smeekte ik inwendig. Laat het vallen en wees twee volwassen, ruimdenkende mensen. Dat werd me natuurlijk niet gegund.
De twee volwassen vrouwen staarden me aan alsof ik mijn mensenhuid had afgetrokken en Satan zelf had besloten nanny te worden en kippenburgers te eten aan het Vrijheidsbeeld. Ik zag de Moeders blik meteen naar haar twee kinderen gaan, alsof ze zich afvroeg of ik hun onschuldige, katholieke hoofdjes al gevuld had met mijn heidense gedachtegoed. Bij de gedachte dat ze zou vinden dat ik geen moraal had en me dus terug naar huis zou sturen, krabbelde ik terug.
‘Ik bedoel, ik heb respect voor alle persoonlijke overtuigingen. Ik ben van mening dat iedereen mag geloven wat hij wil.’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Maar zelf geloof ik niet. In België speelt geloof niet zo’n grote rol meer, en zeker niet in mijn omgeving.’
De twee vrouwen knikten langzaam en wisselden toen een blik. Voor de discussie verder kon ontaarden en ik uiteindelijk zou huilen van frustratie, sloot ik snel een weddenschap met de jongens om hen hun (blijkbaar vergiftigde) tomaten op te eten. Ik beloofde hen geld als ze het deden. De tomaten verdwenen redelijk snel in hun monden. Die dag betaalde ik 10 dollar voor twee stukken tomaat die ik niet eens zelf opat. Assepoesters stiefzussen trokken haar jurk van haar lijf. Mijn twee kwelgeesten namen me mijn financiële zekerheid af.

’s Avonds kwam ik doodop thuis in mijn appartement. Mijn huisgenote en een heilige, Leeanne, vroeg me hoe mijn dag was. Ik vertelde over de mist, de Inquisitie, de betaalde tomaten. Het was geen droombal geweest. Maar misschien had Assepoester het ook niet zo leuk gehad. Misschien was het bal met de prins niet haar eerste bal, maar was er al eerder een feest geweest met lauwe soep en slechte dubstepmuziek. Het échte droombal kwam veel later pas.
Sint Leeanne luisterde, gaf me schouderklopjes en bestelde pizza, waarna we naar ‘Sex and the City’ keken. Een prins had ik nog niet gevonden, maar ik had tenminste wel al een goede fee.

Tekst: Jade Decoster

Jobs

Nog 1 stap voor je onze desktop-meldingen kan ontvangen!

Geef je browser toestemming om je desktop-meldingen van Flair te sturen.